Pesterijen worden dikwijls te laat of helemaal niet opgemerkt. Het is belangrijk zowel de pesters, de meelopers als de gepesten te herkennen om hen vervolgens te kunnen helpen. Een signaallijst kan hierbij helpen.

 

Let op het gedrag en het uiterlijk van je kind. Probeer na te gaan of je kind kan doorgaan voor een gepeste, pester of meeloper, hoe het zich voelt, hoe het met anderen omgaat, of het al dan niet bij het spel wordt betrokken. Op basis van zo’n nauwkeurige observatie stoot je – indien je kind pest, meeloopt of gepest wordt – bijna altijd op een aantal signalen.

 

Sommige van deze signalen spreken voor zich en verwijzen vrij rechtstreeks naar pesterijen (= primaire signalen), terwijl andere signalen wat meer dubbelzinnig blijven maar wel het vermoeden dat er gepest wordt, komen versterken. Deze ‘secundaire’ signalen blijven dus iets vager en kunnen evengoed op een ander probleem wijzen.

 

Omdat de kans vrij groot is dat er bij elk kind (af en toe) ten minste één van die signalen opduikt, is het aangewezen om niet te vlug te besluiten dat er ‘hier wordt gepest’. Van zodra er enkele van deze ‘verdoken boodschappen’ of signalen samen opduiken, heb je er alle reden toe om verdere stappen te ondernemen. In dat geval is er ongetwijfeld wat meer aan de hand.

 

Signalen als tekens aan de wand.

 

Signalen pester

 

  • Primaire signalen

-    Krijgt soms af te rekenen met slachtoffers die zodanig in het nauw gedreven zijn dat ze wel moeten terugslaan: blauwe plekken, schrammen, verwondingen of gescheurde kleding kunnen hier het gevolg van zijn.

-    In de schoolagenda of elders kunnen opmerkingen staan die verwijzen naar ‘schermutselingen’ of conflicten op school…

 

  • Secundaire signalen

-    Zit herhaaldelijk op de kap van een ander persoon.

-    Plaagt vaak op ene gemene manier.

-    Doet stoer, wil imponeren

-    Is vaak fysiek sterker dan het slachtoffer.

-    Heeft een groot idee van zichzelf.

-    Is vooral met zichzelf begaan: als alles maar naar zijn/haar zin verloopt, als hij/zij zich maar goed voelt …

-    Reageert meer impulsief en agressief: kan moeilijk met kritiek of ‘tegenwind’ overweg. Raakt in dat geval erg gemakkelijk over zijn/haar toeren.

-    Heeft het moeilijk met de grenzen die door de ouders, leerkrachten … worden gesteld. Reageert eerder opstandig en tegendraads.

-    Kan vrij intelligent zijn, maar heeft meestal een beperkte interesse voor de leerstof en voor schoolse taken. Aanvaardt eerder kwaadschiks de normen en verwachtingen van de school.

-    Samen spelen of werken met andere kinderen is erg moeilijk: wil voortdurend de anderen domineren.

-    Vrienden die op bezoek komen, delen die interesse en gedragen zich in die zin. Het moet opvallen dat een aantal onder hen zich bijzonder volgzaam gedraagt. De autoriteit van de pester mag immers nooit in het gedrang komen. Het initiatief bij spelen, uitstappen of andere activiteiten zal hoofdzakelijk van de ‘leid(st)er’ uitgaan.

-    Omringt zich soms met meelopers die zorgen voor zijn aanzien.

-    Kiest eerder voor agressieve idolen.

-    Is eerder gevreesd dan geliefd in de klasgroep.

 

Signalen meeloper

 

  • Primaire signalen: /

 

  • Secundaire signalen

-    Zegt nooit wat hij/zij echt denkt.

-    Neemt weinig initiatief.

-    Is eerder een zwijgzaam kind maar komt plots allerlei dingen vertellen over school, activiteiten, vriendjes ... of omgekeerd: is eerder een kind dat meestal veel vertelt over school, activiteiten, vriendjes … maar heeft plots een ‘stillere’ periode: komt hierover nog maar weinig vertellen.

 

Signalen gepeste

 

  • Primaire signalen

-    Wordt vaak op een gemene en harde manier aangepakt door andere kinderen (kleineren, bespotten, pijn doen, uitlachen, onvriendelijk behandelen, uitsluiten).

-    Slaagt er niet in zich goed of afdoend te weren.

-    Kledij of andere bezittingen worden besmeurd, vernield, beschadigd of ‘verdwijnen’.

-    Draagt zichtbare sporen van pesterijen: blauwe plekken, schrammen, gescheurde kledij…

 

  • Secundaire signalen

-    Staat dikwijls alleen, heeft weinig speelkameraden: heeft weinig of geen buitenschoolse contacten met klasgenootjes, vrienden.

-    Heeft geen enkele echt goede vriend(in) met wie hij/zij de vrije tijd doorbrengt of met wie hij/zij geregeld en spontaan contact opzoekt.

-    Wordt zelden of nooit uitgenodigd op feestjes of heeft er geen behoefte aan om zelf een feestje te organiseren.

-    Is bang of buitengewoon gestresseerd om na het weekend of vakantieperiode weer naar school te moeten gaan: klaagt van hoofdpijn, keelpijn, maagpijn, krampen, weinig eetlust.

-    Heeft een onrustige slaap (nachtmerries, huilen, niet kunnen inslapen, vroeg wakker).

-    Wordt bij het vormen van groepjes dikwijls als laatste gekozen of valt af.

-    Zoekt eerder het veilige gezelschap op van de toezichthoudende leerkracht of ouder.

-    Gedraagt zich krampachtig, angstig en onzeker; maakt zich liefst onzichtbaar.

-    Gedraagt zich neerslachtig of depressief: ziet er bang, ongelukkig, huilerig uit. gedraagt zich zelfs zonder aanleiding als een ‘geslagen hond’.

-    Schoolresultaten gaan nogal eens in dalende lijn.

-    Zijn vaker afwezig: hetzij in letterlijke zin, hetzij door in gedachten weg te vluchten.

-    Zorgt ervoor dat hij/zij pas op het allerlaatste moment op school toekomt en maakt zich onmiddellijk na de les weer uit de voeten om zo de pesterijen op de speelplaats te vermijden.

-    Vraagt of steelt geld/snoep als zoethouder voor de pester.

© 2017 Vrije Basisschool Elversele.